U GEBRUIKT EEN VEROUDERDE BROWSER

U staat op het punt de website Eureka te bezoeken, een bijzonder samenwerkingsverband van Eindhovens Dagblad, Omroep Brabant en Studio040 rond het thema uitvinden en innoveren in Brabant. U maakt gebruik van een verouderde browser die de website niet ondersteunt.

Werk uw browser bij
Om deze website te kunnen bekijken, werkt u uw browser bij naar Internet Explorer 9 of kiest u voor een alternatieve browser zoals Google Chrome of Mozilla Firefox.

Onze excuses voor het ongemak.
 
1891-1920

GASGEVULDE ARGA-LAMP SPAART GLOEIDRAAD

• 1891Gerard Philips start met financiële steun van zijn vader Frederik een gloeilampenfabriek aan de huidige Emmasingel in Eindhoven.
• 1900Na een moeizame start heeft het bedrijf de aanloopverliezen achter zich gelaten. Gerards jongere broer Anton is aangetrokken voor de verkoop. Rond de eeuwwisseling behoort Philips tot de grootste gloeilampenfabrikanten in Europa.
• 1905In navolging van andere fabrikanten experimenteert Gerard Philips met metaaldraadlampen met gloeidraden van wolfram.
• 1908Het chemisch laboratorium wordt opgericht met als doel praktische problemen in de productie op te lossen.
• 1912Philips schakelt over van de gespoten op de getrokken wolfraam-gloeidraad. Dit houdt een ingrijpende verandering van het productieproces in. De NV Philips' Gloeilampenfabrieken gaat naar de beurs om verdere expansie te financieren.
• 1914Gilles Holst krijgt bij zijn indiensttreding een dubbele opdracht van Gerard Philips: zo veel mogelijk te weten komen over de technische aspecten van de gloeilamp en het oprichten van een natuurkundig laboratorium (NatLab).
• 1915Philips Arga-lamp. Philips introduceert gloeilampen gevuld met het edelgas argon, waardoor de gloeidraad langer meegaat.
• 1917Holst ontvouwt zijn toekomstplannen voor research. De nadruk ligt op ontwikkeling van bestaande en nieuwe lichtbronnen op basis van gasontlading en fluorescentie. Philips is dan nog een 'Specialfabrik' voor lampen.
• 1918In het NatLab worden de eerste radiolampen gemaakt en röntgenbuizen voor medische toepassingen gerepareerd.
• 1919Begin van de productie van golfkarton voor de verpakking van gloeilampen.
• 1920Aanstelling van de latere Nobelprijswinnaar Gustav Hertz, die onderzoek doet naar gasontlading. Het NatLab is dan nog gevestigd op de vierde verdieping van een fabrieksgebouw aan de Emmasingel, vandaar dat het ook wel Lab IV wordt genoemd. Hertz werkt echter in de kelder, waar hij het minste last heeft van trillingen.
 
 
 
^ top
 

GERARD PHILIPS: DE MAN VAN DE TECHNOLOGIE

Het waren maar een paar woorden, niet eens een volledige bijzin, in een lang interview. Maar ze bleven wel hangen. '...en dan vooral Anton...', zei Philips-topman Gerard Kleisterlee, toen hij benadrukte dat Philips nog steeds trots is op zijn Eindhovense wortels. "De pioniers- en handelsgeest van Gerard en Anton Philips, en dan vooral Anton."
De woorden passen in de tranformatie van Philips van een technologiebedrijf naar een door de markt gedreven onderneming. En de markt, dat was vooral het terrein van Anton, de commercant, de rasverkoper. Gerard was de man van de technologie, van het laboratorium en de fabriek.
De opmerking van Kleisterlee staat niet op zich. Het gebeurt wel vaker dat de bijdrage van Anton aan de expansie van Philips tot wereldconcern hoger wordt aangeslagen dan die van Gerard. Anton – en later ook zijn zoon Frits – kreeg een standbeeld in de stad, terwijl Gerard het moet doen met een plaquette bij het eerste Philipsfabriekje aan de Emmasingel.
Over Anton – en Frits – verschenen vuistdikke biografieën. Van Gerard verscheen na zijn overlijden een levensschets van twintig pagina's, geschreven door prof. N. A. Halbertsma. Gelukkig zijn er de officiële geschiedschrijving van Philips en andere boeken over de rijke historie van het concern, die de rol van Gerard niet onbelicht laten.
 
Gerard Philips in 1890
 
Spectaculaire orders
Philips & Co, het bedrijf dat Gerard in 1891 samen met zijn vader Frederik in Eindhoven oprichtte, maakte een moeizame start. De zestien jaar jongere Anton werd in 1895 door zijn vader naar Eindhoven gehaald om Gerard bij te staan. Anton sleepte spectaculaire orders binnen op zijn handelsreizen.
De basis voor die verkoopsuccessen was in de daaraan voorafgaande jaren gelegd door Gerard. Hij had de fabriek ingericht, personeel aangetrokken en opgeleid en was onafgebroken bezig met het verbeteren van het productieproces.
Kenmerkend voor Gerard was de bijna wetenschappelijke wijze waarop hij te werk ging. Cruciaal voor de kwaliteit van de gloeilamp was de gloeidraad, het filament. Aanvankelijk werd daarvoor een kooldraad gebruikt op basis van cellulose. Al voor de oprichting van het bedrijf voerde Gerard in Amsterdam en in het washok achter het huis van ouders in Zaltbommel experimenten uit om een goede kwaliteit kooldraad te ontwikkelen.
De productie van gloeilampen was in die tijd hoogwaardige technologie. Er kwam veel bij kijken, variërend van elektrotechniek, vacuümtechniek, metallurgie en glastechniek tot chemie, instrumentkunde en fotometrie. De lampen moesten voldoen aan technische specificaties wat betreft lichtsterkte en stroomverbruik en ze moesten in grote aantallen worden gefabriceerd tegen steeds lagere kosten. Het leveren van constante kwaliteit stelde hoge eisen aan de bedrijfsorganisatie.
De komst van de metaaldraadlamp bracht de technologische wedloop in 1906 in een stroomversnelling. De metaaldraad werd aanvankelijk gemaakt van gespoten wolfraam. Daarbij werd wolfraampasta door een diamant met een opening van driehonderdste millimeter geperst en vervolgens verhit. Het was een moeilijk procédé dat in 1911 werd achterhaald, toen General Electric erin slaagde om getrokken wolfraamdraad te produceren. Enkele jaren later zorgde de halfwattlamp – opnieuw een ontwikkeling van GE – voor weer een technologische omwenteling. De lamp gevuld met het edelgas argon was zuiniger en had een hogere lichtopbrengst.
 
Gerard Philips met zijn technische staf
 
Prakkiseren
Tientallen gloeilampenfabrieken vielen af in de technologie-race of legden het loodje in de prijzenoorlog. Dat Philips overleefde was de verdienste van Gerard. Hij slaagde er steeds weer in om snel om te schakelen naar nieuwe producten en productieprocessen. De grote innovaties vonden elders plaats, maar Gerard verstond de kunst om te volgen door eigen ontwikkelingen, door gebruik te maken van licenties of door brutaalweg te kopiëren, desnoods met behulp van een beetje bedrijfsspionage. Hij werkte daarvoor vaak nachten door.
Een medewerkster zou later zeggen: "Mijnheer Gerard stond altijd in wat wij de apothekerswinkel noemden… Hij stond daar maar te prakkiseren en soms in zijn eigen te praten. Dan moest dit zus of zo, dan dit en dan dat. Ik zeg honderd keer, er is geen man die zo gewerkt en geprakkezeerd heeft als Gerard Philips."
De oprichter besefte echter ook dat meer nodig was om op te kunnen blijven opboksen tegen concerns als het Amerikaanse GE en het Duitse Siemens & Halske. Philips moest in navolging van die veel grotere ondernemingen de beschikking krijgen over een eigen researchlaboratorium. Voor verdere verbetering van zowel de gloeilamp als het productieproces was meer kennis noodzakelijk van de onderliggende processen. Gerard nam met het besluit om in 1914 het Natuurkundig Laboratorium op te richten, een van de belangrijkste strategische beslissingen uit de geschiedenis van het concern. Bovendien deed hij een gouden greep met het aantrekken van Gilles Holst als eerste directeur van het Natlab.
De bemoeienis van Gerard beperkte zich niet tot het laboratorium en de fabriek. Ook de introductie van Amerikaanse methodes (psychotechnisch onderzoek) voor de selectie van personeel kwam uit zijn koker. En hij nam initiatieven op sociaal gebied, zoals een pensioenfonds, ziekenzorg, woningbouw en het naar zijn vrouw genoemde Philips-Van der Willigenfonds voor de verstrekking van studiebeurzen aan de kinderen van werknemers.
Toch was Gerard voor alles technicus. Hij was rechtlijnig en perfectionistisch. Tekenend is in dat opzicht dat het hem verontrustte dat hij het werk van Einstein niet kon begrijpen. Zich niet afvragend hoeveel mensen daar wel toe in staat waren. In een meer poëtische bui liet hij zich ontvallen: "Is de hele gang van onze beschaving feitelijk iets anders dan een zoeken om het donker uit alle hoeken en gaten der samenleving te verdrijven door licht?"

Inspanningen eisen tol
Gaandeweg moet Gerard Philips zich hebben gerealiseerd dat hij over zijn hoogtepunt als ondernemer heen was. Hoewel hij er als kritisch tegenspeler voor zorgde dat onderzoekers niet te veel zijpaden bewandelden, moest hij ook erkennen dat zijn kennis verouderde.
Bovendien begonnen de inspanningen hun tol te eisen. De broers hadden er altijd een wedstrijd van gemaakt om elkaar af te troeven. Anton probeerde meer lampen te verkopen dan Gerard kon fabriceren en andersom. Maar Gerard raakte vermoeid en kreeg steeds meer moeite om het tempo van Anton bij te benen. Het verschil in leeftijd en temperament begon hem parten te spelen. Anton werd ook dominanter. Toen de commissarissen klaagden dat zij door Anton werden gepasseerd bij belangrijke beslissingen, liet Gerard zich ontvallen dat zijn jongere broer ook wel eens aan hem voorbij was gegaan.
Op 21 september 1921 kondigde Gerard aan dat hij op 1 januari 1922 zijn functie als directeur wilde neerleggen. Hij had geen kinderen en wilde samen met zijn vrouw gaan reizen en van het leven genieten. Op het verzoek van de commissarissen om nog wat te blijven ging hij niet in. Hij verkocht zijn villa Vijverberg met de complete inboedel en vertrok naar Parijs. Ten onrechte is wel beweerd dat Gerard zich daarna nauwelijks nog voor de gang van zaken in de onderneming interesseerde. Hij correspondeerde nog jaren met zijn oud-medewerkers Lokker, Staal en Holst en bleef tot 1939 betrokken als commissaris.
Op 26 januari 1942 overleed Gerard Philips in Den Haag. Zijn collectie laat negentiende eeuwse-meesters liet hij na aan het Haags Gemeentemuseum. Veel belangrijker is wat hij Eindhoven en Philips heeft nagelaten.
 

^ top
 
 
^ top
 

DE EERSTE WERKDAG VAN GILLES HOLST

Onderzoek, research zit in het DNA van Philips. 'Oom Gerard, de oprichter van de gloeilampenfabriek, was onze eerste onderzoeker, die al experimenterende in zijn kleine laboratorium zelf zijn weg naar de gloeilampenfabricage heeft moeten vinden', schreef Frits Philips in zijn autobiografie '45 jaar met Philips'.
Gerard Philips pakte de productie van gloeilampen op bijna wetenschappelijke wijze aan. Na de oprichting van de onderneming in 1891 was een van de grootste uitdagingen om gloeilampen van constante kwaliteit te produceren. Hij boekte verbluffende resultaten en bleef zich verdiepen in techniek. Maar gaandeweg kwam hij ook tot het besef dat zijn kennis als werktuigkundig ingenieur met een grote belangstelling voor elektrische verlichting tekort schoot om gelijke tred te houden met de internationale concurrentie.
 
 
'Gevraagd: een bekwaam jong doctor'
Wat Philips nodig had was een natuurkundig laboratorium. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 23 oktober 1913 plaatste Philips een advertentie: 'Gevraagd een bekwaam jong doctor i.d. natuurkunde, vooral ook een goed experimentator'.
Gilles Holst solliciteerde en kreeg na een gesprek met Gerard Philips de baan. Zijn eerste werkdag op 2 januari 1914 - vandaag precies honderd jaar geleden - wordt beschouwd als het begin van het NatLab.
Het onderzoek richtte zich aanvankelijk vooral op het oplossen van problemen bij de productie van gloeilampen en het zoeken naar nieuwe soorten verlichting. Maar na een bescheiden start verschoof de aandacht ook naar aanpalende gebieden als radiolampen en röntgenbuizen en daarmee speelde het NatLab een cruciale rol bij de ontwikkeling van Philips tot een veelzijdig elektronicaconcern.
De keuze voor de jonge wetenschapper Gilles Holst bewees eens te meer dat de gebroeders Philips de kunst verstonden om de juiste mensen te selecteren voor belangrijke taken.
 
 
Oorsprong van toppositie
Het NatLab groeide onder leiding van Holst uit tot een van de grootste en meest gerenommeerde industriële laboratoria ter wereld. Marcel Metze noemt in zijn biografie van Anton Philips – de broer van Gerard en de tweede topman van het concern – van de strategische beslissingen die van doorslaggevende betekenis zijn geweest voor de expansie van het Philips-concern als eerste de oprichting van het NatLab. De wereldwijd leidende positie van Philips in verlichting en medische systemen, de High Tech Campus Eindhoven, de chipmachines van ASML, de halfgeleiders van NXP, de elektronenmicroscopen van FEI, de TU/e, de uitverkiezing tot slimste regio, de hightech van Brainport, de oorsprong van dat alles ligt bij het NatLab van Philips.
 

^ top
 
 
^ top

ADVERTENTIE VOOR ARGA-LAMPEN, 1916

De volgende bijdrage is afkomstig van Philips Company Archives

 

^ top
 
 
^ top
 

NOBELPRIJS GUSTAV HERTZ KWAM NET TE LAAT VOOR NATLAB

Gustav Hertz kreeg bij Philips een topsalaris, maar deed zijn proeven in de kelder van een fabriek.

Als het op Nobelprijzen aankomt steekt het Philips NatLab schamel af tegen bijvoorbeeld Bell Labs en GE Research in de VS, waarmee het vaak is vergeleken. Ondanks alle baanbrekend onderzoek heeft nooit een onderzoeker van het Philips NatLab een Nobelprijs ontvangen. Wel heeft het NatLab met Gustav Hertz een latere Nobelprijswinnaar in zijn gelederen gehad.
 
Gustav Hertz (rechts) in 1924 in het gezelschap van Gilles Holst (links) en James Franck
 
NatLab-oprichter Gilles Holst en zijn rechterhand Ekko Oosterhuis hadden na de Eerste Wereldoorlog grote verwachtingen van gasontladingslampen. Omdat zij er zelf niet genoeg tijd en aandacht aan konden besteden gingen zij op zoek naar een andere top-onderzoeker op het gebied van gasontlading. De leidende wetenschappers op dat terrein waren de Duitsers James Franck en Gustav Hertz. Het was Hertz die zich in 1920 liet overhalen om naar Eindhoven te komen.
Dat mocht wat kosten. Hertz vroeg een salaris van 20.000 gulden per jaar, meer dan het inkomen van Holst. Hij kon beginnen voor 15.000 gulden - in die tijd een absoluut topsalaris, dat later nog werd opgetrokken. Het was ook heel wat meer dan de 100 gulden per maand die hij aan de universiteit van Berlijn verdiende.

Schoonvader directeur bij concurrent Siemens
Toch was het geen gemakkelijk besluit voor Hertz, die net vader was geworden, om met zijn gezin naar Nederland te verkassen. Maar de economische omstandigheden in Duitsland waren beroerd en wat hij in Eindhoven zag beviel hem wel. Opmerkelijk is dat juist zijn schoonvader, een directeur van concurrent Siemens, Hertz aanmoedigde om het aanbod van Philips te accepteren.
Zijn salaris mocht dan wel een latere Nobelprijswinnaar waardig zijn, dat kon niet gezegd worden van de omgeving waarin hij aan de slag ging. Het NatLab was toen nog gevestigd op de vierde verdieping van het fabrieksgebouw aan de huidige Emmasingel, vandaar dat het ook wel Lab IV werd genoemd. Hertz deed zijn onderzoek echter in de kelder van het gebouw, waarschijnlijk omdat hij daar bij zijn proeven de minste last had van trillingen.
De omstandigheden voor onderzoek verbeterden aanzienlijk met de bouw van een nieuw laboratorium in Strijp. Ook de academische sfeer van het NatLab, waaraan hij zelf met zijn aanwezigheid bijdroeg, sprak Hertz aan. Natuurkundigen van naam en faam gaven er gastcolleges. Toch keerde Hertz in 1925 terug naar Duitsland om hoogleraar te worden in Halle. Om als wetenschapper echt wat voor te stellen moest je professor zijn, zo verklaarde hij later. Een onderzoeker in de industrie had zeker in Duitsland in die tijd minder status.
In hetzelfde jaar dat hij uit Eindhoven vertrok kreeg Hertz samen met Franck de Nobelprijs voor natuurkunde. Dichter bij een Nobelprijs is het NatLab nooit meer geweest, al hebben er zeker onderzoekers gewerkt die daarvoor in aanmerking kwamen.

Niet terug naar Philips
Voor de Tweede Wereldoorlog heeft Hertz op het punt gestaan om opnieuw bij Philips te gaan werken. Dat was nadat hij was opgestapt als hoogleraar in Berlijn, waar hij inmiddels aan de universiteit werkte. De reden was dat hij vanwege zijn joodse afkomst geen examens meer mocht afnemen in nazi-Duitsland. Hij sprak in Eindhoven met de directie van Philips en kon er zo weer beginnen, maar het salaris dat hem werd geboden vond hij wat karig. Hij besloot te gaan werken bij Siemens dat hem een beter aanbod had gedaan. Achteraf zei hij blij te zijn geweest met die beslissing, omdat hij in het door Duitsland bezette Nederland waarschijnlijk slechter af zou zijn geweest.
Hertz, die in 1975 op 88-jarige leeftijd in Oost-Berlijn overleed, sprak later met waardering en sympathie over Holst. Hij liet zich ook lovend uit over de bereidheid van de gebroeders Philips, de 'ingenieur' en de 'koopman', om te investeren in onderzoek. Zij hadden de overtuiging dat dit zou lonen, aldus Hertz.
 

^ top